Voorbeeld
Gegeven zijn de punten A(0,3), B(2,6) en C(5,4).
Stel een vergelijking op van de cirkel c door deze drie punten.
(Door de punten te verplaatsen kun je meer situaties oefenen.)
Antwoord
Stel eerst vergelijkingen op van de middelloodlijnen van (bijvoorbeeld) AB en BC.
- De middelloodlijn van AB heeft een r.c. van
– en gaat door (1,4).
De vergelijking ervan is y = –x + 5.
- De middelloodlijn van BC heeft een r.c. van 1,5 en gaat door (3,5;5).
De vergelijking ervan is y = 1,5x – 0,25.
Het snijpunt van beide middelloodlijnen is M(2,5;3,5) en dit is het middelpunt van de bedoelde cirkel. Deze heeft daarom als vergelijking (x – 2,5)2 + (y – 3,5)2 = r2.
De juiste waarde van r2 vind je door een punt van de cirkel (bijvoorbeeld A(0,3)) in te vullen voor x en y.
|
|