KANSMODELLEN Overzicht
Ja/nee kansen

Voorbeeld

Je beantwoordt volledig op de gok 20 vierkeuzevragen. Van de vier keuzes per vraag is er telkens maar één goed.
Hoe groot is de kans dat je er hoogstens 3 goed hebt?

Antwoord

Net als in Voorbeeld 2 is hier sprake van een binomiaal kansprobleem.
Als X het aantal goede vragen is, dan gaat het nu om de kans: P(X ≤ 3).
Deze kans bereken je zo: P(X ≤ 3) = P(X = 0) + P(X = 1) + P(X = 2) + P(X = 3).
Nu is:

  • P(X = 0) = 0,7520
  • P(X = 1) = 0,25 · 0,7519 · 20
  • P(X = 2) = 0,252 · 0,7519 ·  ( 20 2 )
  • P(X = 3) = 0,253 · 0,7517 ·  ( 20 3 )
Dus P(X ≤ 3) ≈ 0,2252.

Inleiding
Uitleg
Theorie
Voorbeeld 1
Voorbeeld 2
Voorbeeld 3
Practicum GR
Opgaven