REKENEN Overzicht
Breuken vergelijken

Voorbeeld 2

In klas 1A hebben 3 van de 20 leerlingen voor een wiskundetoets een onvoldoende gehaald.
In klas 1B hebben voor dezelfde toets 4 van de 30 leerlingen een onvoldoende gehaald.

Mag je zeggen dat er in 1B naar verhouding meer onvoldoendes zijn?
Er zijn wel meer onvoldoendes, maar ook meer leerlingen...

In 1A heeft 3 20 deel een onvoldoende.
In 1B heeft 4 30 deel een onvoldoende.

Om beide breuken te kunnen vergelijken maak je ze gelijknamig:

3 20  =  9 60  en

4 30  =  8 60 .

Dus voor deze toets zijn in 1B naar verhouding de minste onvoldoendes gehaald.
(Complimenten voor 1B.)

Uitleg
Voorbeeld 1
Voorbeeld 2
GGD en KGV
Opgaven