Uitleg
Hier zie je hoeveel oplossingen de vergelijking cos(x) = c heeft als c een constante is. Je gebruikt daarbij de symmetrie en de periode van de grafiek van y = cos(x).
Als je bijvoorbeeld cos(x) = 0,8 wilt oplossen, bepaal je eerst de oplossing die zo dicht mogelijk bij de verticale as zit: x ≈ 0,64.
Dit getal kun je vinden met je grafische rekenmachine.
Het heet in de wiskunde de arcuscosinus van 0,8: x = arccos(0,8) ≈ 0,64.
Binnen één periode is (vaak) nog een oplossing.
Vanwege de symmetrie van de grafiek is die tweede oplossing x = 2π – 0,64 = 5,64.
Vanwege de periode van 2π zijn alle oplossingen van deze vergelijking:
x = 0,64 + k · 2π V x = 5,64 + k · 2π met k een geheel getal.
|
|